Shabbat · 29. Eruvin
04. Hekken, openingen en een Tel Ha-mitlaket
Een hek dat tien tefaĥim hoog is, geldt als een volwaardige muur en is doeltreffend om zelfs een reshut ha-rabim naar Tora-wet in een reshut ha-yaĥid te transformeren (zoals hierboven in 21:2-3 uitgelegd). Zelfs een gaashek is hiervoor aanvaardbaar. Zolang elk van de ruimten tussen de draden minder dan drie tefaĥim breed is, geldt het hek als doorlopend, en kan het zelfs een reshut ha-rabim naar Tora-wet in een reshut ha-yaĥid transformeren.
Als een hek of reeks tzurot ha-petaĥ een gebied omsluit maar openingen in de omtrek heeft, is de eruv koosjer zolang elke opening minder dan tien amot breed is en de gecombineerde breedte van alle openingen aan welke zijde van de omtrek dan ook kleiner is dan de gecombineerde lengte van het hek of de tzurot ha-petaĥ aan die zijde (MB 362:45; AHS 362:23 stelt echter dat de te vergelijken lengten die van de hele omtrek zijn, niet slechts van één zijde). Daarentegen is de eruv ongeldig als het niet-omheinde deel van welke zijde van de stad dan ook langer is dan het omheinde deel aan die zijde, of als er ergens een opening is die langer is dan tien amot (SA 362:9).
Als één zijde van de stad bestaat uit huizen met door hekken omsloten binnenplaatsen, met open ruimte tussen de binnenplaatsen, dan hoeft, als de afstand tussen elke binnenplaats minder dan tien amot is en de breedte van elke binnenplaats groter dan tien amot is, die zijde niet verder met een muur of tzurat ha-petaĥ omsloten te worden. De hekken rond de binnenplaatsen gelden als muren, en de openingen van minder dan tien amot maken ze niet ongeldig.
Als een stad omringd is door een tuin met terrassen van ten minste tien tefaĥim hoog, dan geldt zij als ommuurd, en is er geen noodzaak om nog een muur of tzurat ha-petaĥ toe te voegen. Als slechts een deel van de stad door een terras is omsloten, dan heeft dat deel geen extra muur nodig.
Als één zijde van een stad op een heuvel is gebouwd, dan maakt de heuvel, als deze steil genoeg is dat hij tien tefaĥim (76 cm) daalt per vier horizontale amot (1,824 m), alles boven de helling tot een reshut ha-yaĥid. De Wijzen verwijzen naar zo'n heuvel als een tel ha-mitlaket, en deze geldt als een volwaardige muur (SA 345:2).
Als een dorp door een hek is omgeven, en de poort bij de toegangsweg breder is dan tien amot, dan is de eruv geldig, zelfs wanneer de poort openstaat, zolang de poort 's nachts gesloten zal zijn (SA 364:2; Melumdei Milĥama §74). Als de poort echter 's nachts gewoonlijk open wordt gelaten, of als deze slechts als barrière (of slagboom) dient, die zelfs wanneer gesloten geen behoorlijke muur is, behoort er boven de poort een tzurat ha-petaĥ te worden opgericht.