Shabbat · 08. Havdala en zaterdagavond

06. De kaars

De Wijzen stelden in om op zaterdagavond een berakha over een kaars te maken, ter herdenking van het feit dat God Adam het inzicht verleende om twee stenen tegen elkaar te slaan om vuur voort te brengen.

Idealiter maakt men de berakha over een avuka (letterlijk "fakkel"), dat wil zeggen een gevlochten kaars die ten minste twee pitten heeft. Aangezien haar vlam twee bronnen heeft, is haar licht groot. Als men geen gevlochten kaars heeft, mag hij twee lucifers aansteken, die ook als een avuka kunnen worden beschouwd. Be-di'avad, als er geen alternatief is, mag men de berakha opzeggen over een kaars met slechts één pit (SA 298:2).

De kaars moet helder genoeg zijn dat men er, zelfs zonder elektrisch licht, mee onderscheid zou kunnen maken tussen verschillende munten. Het gebruik is om dit te verzekeren door naar de lijnen in de handpalm en naar de basis van de vingernagels te kijken; dit wordt als een goed voorteken beschouwd (SA 298:3-4).

Degenen die havdala horen, moeten ook het kaarslicht zien. Wie veraf staat, dient dichterbij te komen zodat hij van het licht kan profiteren – dichtbij genoeg om de lijnen in zijn handpalm en de basis van zijn vingernagels te kunnen zien. Wie havdala hoorde maar de vlam niet zag, heeft zijn verplichting van havdala vervuld, maar heeft de mitswa om God voor het vuur te danken niet vervuld. Het is een mitswa voor hem om een kaars aan te steken en de berakha van "borei me'orei ha-esh" op te zeggen (MB 297:13; 298:13). Als hij de vlam zag maar niet dichtbij genoeg was om de lijnen op zijn handpalm te kunnen onderscheiden, dient hij de berakha niet opnieuw te maken, aangezien sommigen volhouden dat hij zijn verplichting vervulde door de kaars te zien (Orĥot Ĥayim aangehaald door Beit Yosef 298:4; Kaf Ha-ĥayim 298:22).

Degenen die de mitswa verfraaien, doen het elektrische licht uit bij het opzeggen van de berakha over de kaars, zodat het voordeel dat zij aan het kaarslicht ontlenen evident is, en zodat zelfs degenen die veraf staan de lijnen van hun handpalmen bij het licht ervan kunnen zien (zie SSK 61:33).

Men mag de berakha alleen maken over een kaars die werd aangestoken om licht te geven, niet over een kaars die werd aangestoken om iemand of iets te eren. Men maakt bijvoorbeeld de berakha niet over een yahrzeit-kaars of over de kaarsen die voor de ĥazan in de synagoge geplaatst zijn, omdat dat kaarsen zijn die voor de eer worden aangestoken, niet om licht te geven (MB 298:30).

Sommige Aĥaronim maakten de berakha van Me'orei Ha-esh over een elektrische gloeilamp, aangezien elektriciteit de status van vuur heeft. Velen houden echter vol dat men de berakha niet over een elektrische lamp zou moeten maken, omdat deze niet als vuur wordt beschouwd; vuur vereist zuurstof, en er is geen zuurstof in elektrische lampen, alleen een verhit metalen gloeidraad. Bovendien, zelfs als een elektrische gloeilamp als vuur zou kunnen worden beschouwd, dient men de berakha niet te maken over vuur dat door glas bedekt is. Aangezien deze berakha werd ingesteld om ons te herinneren aan het vuur dat Adam op zaterdagavond voortbracht, moet hij gelijken op dat vuur – open, zonder een glazen afdekking.[4]


[4]. Sommige vooraanstaande Aĥaronim maakten de berakha op zaterdagavond over een elektrische gloeilamp. Zij wilden de onjuiste opvatting wegnemen dat elektriciteit geen vuur is en op Shabbat geactiveerd mag worden. Het was aldus het gebruik van R. Ĥayim van Brisk, R. Ĥayim Ozer Grodzinski en de Rogatchover Gaon om havdala over elektrisch licht te maken. De meeste poskim houden echter vol dat men de berakha niet over een elektrisch licht zou moeten maken, aangezien het niet met behulp van zuurstof brandt zoals vuur dat doet. Daarnaast heeft een gloeilamp een glazen afdekking, en volgens SA 298:15 maakt men de berakha niet over een kaars binnen glas, en BHL stelt dat dit de opvatting is van veel poskim, omdat een bedekt vuur niet gelijkt op het vuur dat door Adam werd voortgebracht. Dit is ook de uitleg van Har Tzvi, OĤ 2:114 en Yabi'a Omer, OĤ 1:17-18. Allen zijn het erover eens dat de berakha niet over een tl-lamp mag worden opgezegd, omdat haar licht afkomstig is van gas, niet van een gloeidraad (SSK 61:32).