Shabbat · 17. Elektriciteit en elektrische apparaten

11. Automatische deuren

Men mag een deur die automatisch opengaat wanneer zij iemand in de buurt waarneemt, niet naderen. Wie dit doet wordt beschouwd als iemand die rechtstreeks de elektriciteit in werking stelt die de deur opent. Het maakt niet uit of het systeem werkt via vloersensoren, een elektrisch oog, een bewegingsdetector, of iets dergelijks. Zoals wij hebben gezien (sectie 2) is volgens velen, waaronder Rav Kook, het aanzetten van een elektrisch apparaat door de Tora-wet verboden.

Wie zich in een hotel of ziekenhuis met automatische deuren bevindt, moet een alternatieve manier vinden om binnen te komen die geen gebruik van elektriciteit met zich meebrengt. Als een niet-Jood de deur nadert om naar binnen te gaan, mag een Jood hem naar binnen volgen (hieronder 25:1-2). Maar als degene die de deur nadert een Jood is die Shabbat niet naleeft, mag een Shabbat-nalever hem niet naar binnen volgen, omdat de Shabbat-nalever niet mag profiteren van de Shabbat-ontheiliging van een mede-Jood. Bovendien is het, wanneer een godsdienstige Jood profiteert van Shabbat-ontheiliging en daarvan voordeel trekt, een ontheiliging van Gods naam. Hoewel sommigen in dit geval soepel zijn, is het passend om streng te zijn. Alleen onder dringende omstandigheden, wanneer er geen alternatief is, mag men op degenen vertrouwen die soepel zijn.[11]

Artsen en verpleegkundigen mogen een ziekenhuis via een automatische deur betreden, aangezien hun werk het redden van levens met zich meebrengt. Anderen mogen hen dan door de deur volgen. Idealiter zou het ziekenhuisbestuur moeten proberen de noodzaak van Shabbat-ontheiliging tot een minimum te beperken en alternatieve ingangen moeten regelen zodat bezoekers en personeel naar binnen kunnen gaan zonder enig elektrisch apparaat te activeren.

Sommigen zeggen dat als iemand onbedoeld te dicht bij een automatische deur is gekomen, en deze daardoor heeft laten opengaan, hij ter plaatse moet blijven, omdat het weglopen ertoe zal leiden dat de deur sluit. Zij menen dat hij moet wachten totdat een niet-Jood arriveert en de niet-Jood moet vragen om naast hem te gaan staan, waarna hij kan vertrekken. Daarna, wanneer de niet-Jood ook vertrekt, zal de niet-Jood degene zijn die ervoor zorgt dat de deur sluit. Als het ter plaatse blijven de Jood echter leed berokkent, mag hij eenvoudigweg vertrekken, aangezien hij slechts normaal loopt en het hem niet kan schelen of de deur open of dicht is. Zijn handeling van het vertrekken is een psik reisha de-lo niĥa lei die via grama tot stand wordt gebracht, wat niet verboden is. Zelfs als degene die de automatische deur per ongeluk liet opengaan in feite wel naar binnen wilde, mag hij in tijd van nood toch naar binnen gaan, aangezien de melacha onopzettelijk was. Als hij daarentegen de bedoeling had dat de deur zou opengaan maar dit was vergeten, en zich dit pas later herinnerde, dan is het verboden, en mag hij niet naar binnen gaan, omdat men niet mag profiteren van een melacha die onwetend (zij het opzettelijk) op Shabbat werd verricht (SA 318:1; zie n. 11 hierboven en 26:4 hieronder).


[11]. Sommigen zijn soepel en staan een godsdienstige Jood toe een niet-godsdienstige Jood door een automatische deur te volgen, omdat zij menen dat dit niet wordt beschouwd als profiteren van een melacha die op Shabbat is verricht, aangezien het openen van de deur slechts het wegnemen van een obstakel is (R. Shlomo Zalman Auerbach in SSK 18:63). Bovendien mag men, als degene die de deur opent als een onopzettelijke overtreder wordt beschouwd, in tijden van noodzaak vertrouwen op de mening van R. Meir dat men mag profiteren van een melacha die door zo iemand op Shabbat is verricht (MB 318:7). Daarentegen zijn er redenen om streng te zijn. Ten eerste menen velen dat het openen van zo'n deur wordt beschouwd als een melacha die op Shabbat is verricht (Igrot Moshe, OĤ 2:77). Ten tweede vormt het scenario waarin een godsdienstige Jood op een niet-godsdienstige Jood wacht om van diens Shabbat-ontheiliging te profiteren een ontheiliging van Gods naam. Daarom mag men slechts onder dringende omstandigheden soepel zijn.