Shabbat · 10. Bishul (Koken)

15. Voedsel dat al gekookt is

Men mag voedsel op vrijdagmiddag op een open vuur laten staan als er voor niemand reden zou zijn om de vlam onder het voedsel hoger te zetten. De poskim zijn het oneens over wat “geen reden” inhoudt. Volgens Rif en Rambam mag men dit doen als het voedsel volledig gekookt is en verder koken er nadelig voor zal zijn. Maar als verder koken de smaak van het voedsel zal verbeteren, dan mag men het niet op het vuur laten staan, aangezien er een drijfveer is om de vlam hoger te zetten.

Daarentegen zijn de Ge’onim en Tosafot van mening dat als het voedsel het punt heeft bereikt waarop het als een ma’akhal ben Derusa’i zou kunnen worden beschouwd, we niet langer bezorgd zijn dat iemand Shabbat zou ontheiligen om de vlam hoger te zetten. Alleen als het voedsel volkomen oneetbaar is, zijn we bezorgd dat iemand, uit vrees dat het voedsel niet klaar zal zijn voor het vrijdagavonddiner, de vlam hoger zou zetten.

Het komt erop neer dat men voedsel op een open vlam mag laten staan als het in geval van nood gegeten kan worden, aangezien dit de opvatting is van de meerderheid van de Rishonim en tevens de gewoonte van de meeste Joodse gemeenschappen. Echter, le-khatĥila moet men rekening houden met de strenge opvatting en ervan afzien voedsel op een open vuur te laten staan als verder koken de smaak ervan zal verbeteren. Dit probleem kan worden vermeden door de vlam af te dekken, zoals we nu zullen uitleggen.[14]


[14]. De Tanna’im zijn het hierover oneens (Shabbat 36b). De meerderheid van de Wijzen is van mening dat alleen voedsel dat volledig gekookt is en dat verder koken zal beschadigen op een open vuur mag worden gelaten. Dit is de uitspraak van Rif en Rambam. Volgens Ĥananya mag men echter ook voedsel dat de staat van ma’akhal ben Derusa’i heeft bereikt op het vuur laten staan. Dit is de uitspraak van de Ge’onim, Tosafot en veel Rishonim. SA 253:1 presenteert de strenge opvatting als de primaire en de milde positie als de secundaire. Rema, op grond van Rosh, schrijft dat de gewoonte is om mild te zijn, hoewel het le-khatĥila de voorkeur verdient streng te zijn. BHL s.v. “ve-nahagu” komt eveneens tot deze conclusie. Sommige Sefardische gemeenschappen zijn gewoonlijk mild (Yalkut Yosef 253:1). Aangezien het tegenwoordig gemakkelijk is de vlam met een blekh af te dekken, kan men aan alle opvattingen voldoen, zoals uitgelegd in de volgende alinea. Ma’akhal ben Derusa’i is genoemd naar een rover die op de vlucht was voor de wet en eraan gewend raakte genoegen te nemen met minimaal gekookt voedsel, zodat hij snel kon eten en vervolgens verder kon vluchten. Rambam begreep dat dit verwijst naar halfgekookt voedsel, terwijl Rashi van mening is dat het verwijst naar voedsel dat voor een derde gekookt is. MB 253:38 stelt dat men in verzwarende omstandigheden mild kan zijn zodra het voedsel voor een derde gekookt is. (Hoewel SA 254:1 uitlegt dat men een pot met rauw vlees op een open vlam mag laten staan omdat het langzaam kookt, is dit tegenwoordig niet langer toegestaan, aangezien wij koken met gas waarvan de vlam buitengewoon heet is, zoals uitgelegd in Harĥavot.) Het is belangrijk op te merken dat de rabbijnse regels betreffende de zorg dat iemand de vlam hoger zal zetten, specifiek betrekking hebben op het koken van voedsel; bij het gebruik van kachels of radiatoren om het huis te verwarmen is dit geen vraagstuk. (In het geval van een houtkachel moet men zich er echter van vergewissen dat het vuur inderdaad goed is aangeslagen voordat Shabbat begint, zoals uitgelegd in SA §255.)