Shabbat · 21. Hotza'ah

13. Wandelstokken, blindengeleidehonden en rolstoelen

Als iemand gedeeltelijk gehandicapt is en een wandelstok nodig heeft om te lopen, mag hij met een wandelstok in een reshut ha-rabim lopen, omdat de wandelstok dezelfde status heeft als zijn schoenen – onmisbaar om te lopen. Als hij echter zonder wandelstok kan lopen, ook al is dat slechts met grote moeite, mag hij een reshut ha-rabim niet betreden met een wandelstok (SA 301:17).

Een blinde, die normaal gesproken een witte stok gebruikt om zich te verplaatsen, mag die op Shabbat niet gebruiken als hij het zonder kan; in zo'n geval wordt de stok als een last beschouwd en mag hij niet worden gebruikt waar geen eruv is (SA 301:18). Als hij het niet zonder kan, bijvoorbeeld wanneer hij door een onbekende buurt moet navigeren, mag hij met zijn stok naar buiten gaan (AHS 301:72).[14]

Een blinde mag het publieke domein betreden met een blindengeleidehond. Ook al houdt hij het tuig vast dat aan de hond is bevestigd, dit is niet verboden. Aangezien het tuig altijd aan de hond is bevestigd, is het ondergeschikt aan diens lichaam, en is er geen probleem van dragen (Igrot Moshe, OĤ 1:45; Menuĥat Ahava 3:27:49; zie SSK hfdst. 18 n. 62 en hierboven 20:2).

Iemand die rolstoelgebonden is en de rolstoel handmatig voortbeweegt, mag met de rolstoel het publieke domein betreden, aangezien de rolstoel als vergelijkbaar met zijn schoenen wordt beschouwd (SA 30:16-17; Igrot Moshe, OĤ 4:90). Als de gehandicapte persoon zichzelf echter niet kan voortbewegen, mag hij niet worden geduwd, net zoals een baby die niet kan lopen niet in het publieke domein of een karmelit mag worden gedragen (MB 308:153). Omwille van een mitswa mag echter aan een niet-Jood worden gevraagd om iemand in een rolstoel te duwen. Dit wordt geclassificeerd als een shvut di-shvut, hetgeen toegestaan is bij een grote noodzaak en omwille van een mitswa (zie hierboven 9:11).[15]


[14]. Tegenwoordig wordt blinden geleerd een witte stok te gebruiken, en zo voelen zij zich niet in staat het zonder te stellen, zelfs in vertrouwde gebieden. Daarom kan het hun toegestaan zijn een reshut ha-rabim met een stok te betreden, zelfs in een vertrouwd gebied.

[15]. Sommigen betwijfelen of het een gehandicapte is toegestaan zichzelf op Shabbat in een rolstoel voort te bewegen (Har Tzvi, OĤ 1:170; SSK 34:27). De bezorgdheid is dat, zelfs als de gehandicapte de rolstoel zelf kan voortbewegen, deze toch wellicht niet als ondergeschikt aan hem wordt beschouwd. Het voornaamste standpunt is echter het soepele. Zie Yalkut Yosef 301:56; Piskei Teshuva 301:9.

Velen menen dat men alleen in een karmelit aan een niet-Jood mag vragen een gehandicapte in een rolstoel te duwen, omdat de stoel volgens hen niet ondergeschikt aan de persoon is, en het duwen ervan dus volgens de Tora-wet verboden is. In een reshut ha-rabim is er dus slechts één shvut betrokken (Ĥelkat Yaakov 1:66; Minĥat Yitzhak 2:114:6; Nishmat Avraham 301:16, n. 1). Niettemin is er ruimte om te stellen dat de rolstoel van een gehandicapte ondergeschikt aan hem is. Aangezien "een levend wezen zichzelf draagt", is het verplaatsen van hem dienovereenkomstig slechts rabbijns verboden. Dit geval is vergelijkbaar met dat van een bedlegerige persoon, over wie de Talmoed stelt dat het dragen van hem in een reshut ha-rabim slechts rabbijns verboden is (Shabbat 93b). Men mag dus aan een niet-Jood vragen de gehandicapte zelfs in een reshut ha-rabim te duwen. Dit is het standpunt van rabbi Peretz (Otzar Piskei Eruvin §38). Men kan ook beargumenteren dat de status van de gehandicapte vergelijkbaar is met die van de zieke, voor wie de Wijzen het overtreden van het rabbijnse verbod om een melacha door een niet-Jood te laten verrichten hebben toegestaan.