Shabbat · 21. Hotza'ah

11. Voorwerpen die als ondergeschikt aan kleding worden beschouwd

Alle voorwerpen die normaal gesproken aan kleding zijn bevestigd, zoals knopen en zakken, worden beschouwd als onderdeel van de kleding en als ondergeschikt aan het lichaam van de persoon. Daarom geldt er geen verbod om ze te dragen. Ook al zou het dragen van losse knopen of buideltjes een overtreding van Hotza'ah zijn, de knopen en zakken die normaal gesproken aan kleding zijn bevestigd zijn onderdeel van het kledingstuk en daaraan ondergeschikt. Ook fabriekslabels worden beschouwd als onderdeel van de kleding en daaraan ondergeschikt. Men mag ook een jas met een capuchon dragen, zelfs wanneer de capuchon niet daadwerkelijk wordt gedragen maar achter de persoon naar beneden hangt; ook al heeft hij niet de bedoeling hem op te zetten, wordt de capuchon toch beschouwd als onderdeel van de jas. Voorwerpen die ter versiering aan kleding zijn bevestigd, zoals knopen op de manchetten van een kostuum of veren die aan een hoed of een ander kledingstuk zijn bevestigd, worden eveneens beschouwd als onderdeel van het kledingstuk.

Soms worden er extra knopen op een verborgen plek in een kledingstuk genaaid, om als vervanging te dienen wanneer men een knoop verliest. Deze knopen worden niet gebruikt om het kledingstuk te sluiten of te versieren. Sommigen menen dat men er, aangezien deze knopen niet in gebruik zijn maar wel van betekenis zijn, niet mee naar een reshut ha-rabim mag gaan (Ĥayei Adam 56:3). Volgens de meeste poskim mag men er echter wel mee naar buiten gaan. Aangezien het gangbaar is dat deze knopen aan een kledingstuk zijn bevestigd, worden zij beschouwd als onderdeel daarvan en als daaraan ondergeschikt. Dezelfde discussie betreft een gescheurd ophanglusje, dat in een jas of colbert wordt genaaid om het gemakkelijk te kunnen ophangen. Normaal gesproken is het lusje bevestigd en functioneel zoals een gewone knoop. Wanneer echter één kant van het lusje scheurt, is het niet meer in gebruik. Het strenge standpunt zou stellen dat het van betekenis blijft, en dat men dus met zo'n jas niet naar een reshut ha-rabim mag gaan. Het soepele standpunt zou daartegenin brengen dat, ongeacht of men van plan is het lusje te repareren, het niet als van betekenis wordt beschouwd en ondergeschikt blijft aan de jas. Men mag de jas dus in een reshut ha-rabim dragen. Aangezien het meningsverschil hier een rabbijns verbod betreft, volgt de halacha het soepele standpunt.[13]


[13]. De regel voor extra knopen is dezelfde als die voor een gescheurd riemlusje of knoopsgat. Volgens Ĥayei Adam 56:3 maakt men het van betekenis als men van plan is het te repareren en opnieuw te bevestigen. Aangezien het op dat moment niet voor de knoop of de riem kan worden gebruikt, wordt het buiten dragen ervan als dragen beschouwd. De regel zou op dezelfde wijze gelden voor iemand die ongeschikte tzitzit buiten draagt, hetgeen een overtreding is (SA 301:30). Dit is ook de status van een ophanglusje dat aan één kant is gescheurd. Aangezien men het kledingstuk er niet meer aan kan ophangen, mag men het niet in een publiek domein dragen. Dit is het standpunt van MB 301:150, en SSK 18:33, 42 en 44 volgt het eveneens. Sommigen opperen dat men zou moeten besluiten het lusje niet te repareren, maar het weg te gooien en een nieuw te bevestigen. Op die manier is het gescheurde lusje voor hem niet van betekenis, en keert het terug tot iets dat ondergeschikt is aan de kleding. Men mag de kleding dus in een reshut ha-rabim dragen. Veel poskim menen echter dat deze lusjes niet van betekenis zijn en altijd als ondergeschikt aan de kleding worden beschouwd. Zij worden alleen als van betekenis beschouwd wanneer ze van goud zijn gemaakt, en het zou verboden zijn ze buiten te dragen als ze niet functioneel zijn. Dit is het standpunt van SAH 301:47, AHS ad loc. 107, Tehila Le-David §32, en andere poskim zoals aangehaald in Menuĥat Ahava 3:27:27. In elk geval lijkt het erop dat zelfs degenen die het verbieden zouden toegeven dat het verbod slechts rabbijns is, aangezien dit niet de gangbare manier van dragen is, en het een melakha she-eina tzerikha le-gufah is. Dit vormt dus een onzekerheid omtrent een rabbijnse wet. (Er is echter nadere analyse vereist voordat men ons geval vergelijkt met dat van ongeschikte tzitzit, dat wordt besproken in SA 301:30. Daar kan men stellen dat het dragen van tzitzit op kleding de gangbare manier is om ze te dragen. Bovendien is het dragen daar le-tzorekh gufah; het is omwille van de tzitzit zelf, aangezien de mitswa vereist dat de tzitzit bevestigd zijn aan de kleding die men vervolgens buiten draagt. Zelfs als de tzitzit ongeschikt zijn, wil de persoon ze mee naar huis nemen om ze te repareren, dus draagt hij ze op de gangbare manier. Dit alles geldt niet voor ons geval, waarin de persoon in de kleding rondloopt zonder een gedachte te wijden aan de extra knopen of het gescheurde lusje. Dit is dus niet le-tzorekh gufah, noch is iemand gewend knopen of lusjes op deze manier te dragen.)