Shabbat · 14. Persoonlijke verzorging

01. Gozez (Scheren)

De melacha van Gozez (scheren) is het verwijderen van dingen die op het lichaam groeien, zoals haren, nagels, wratten, losse huid en dergelijke. Daarentegen overtreedt iemand die daadwerkelijk in de huid snijdt en bloed laat vloeien het verbod van Ĥovel (zie hieronder 20:9). Voor de Misjkan (de Tabernakel) werd lamswol geschoren en vervolgens tot draad verwerkt dat werd gebruikt om de gordijnen te maken. Evenzo werd haar geschoren van taĥash-huiden, zodat de huiden glad zouden zijn en daardoor geschikt om als gordijnen in de Misjkan te worden gebruikt. We zien dat scheren soms wordt gedaan om materiaal te gebruiken dat aan een lichaam vastzit, zoals het geval is wanneer schapenwol nodig is om draad te maken, en soms wordt gedaan om iets ongewensts te verwijderen, zoals het geval is bij het verwijderen van ongewenste haren om dierenhuiden te verbeteren (Rivash; BHL 340:1 s.v. "ve-ĥayav").

In tegenstelling tot de melacha van Kotzer, waar het verbod alleen geldt als men een plant van zijn levensbron afsnijdt (hieronder 19:6), geldt het verbod hier ook voor het scheren van wol van de huid van een dood dier, want zelfs na de dood van een dier heeft het scheren van zijn wol nog een doel. Daarom moet men ervoor oppassen geen draden uit een bontjas of een leren tapijt te trekken (MB 340:5). Als dit een doel dient, is het verbod krachtens de Tora-wet; als er geen doel is, is het verbod rabbijns.

Tot de melacha van Gozez behoort het plukken van veren van een kip. Men mag echter wel veren plukken van een gekookte kip. Dit komt doordat een kip na het koken als voedsel wordt beschouwd, en het verbod op scheren is niet van toepassing op voedsel (R. Eliyahu David Rabinowitz-Teomim [Aderet], Oveir Oraĥ §366; Har Tzvi, Tal Harim, Gozez 3).