Shabbat · 14. Persoonlijke verzorging
06. Stukzeep, vloeibare zeep en doekjes
Hoewel men vloeibare zeep mag gebruiken om de handen te wassen, is het de algemene gewoonte om streng te zijn met betrekking tot stukzeep of dikke vloeibare zeep. Hiervoor zijn er twee redenen. Ten eerste lijkt het gebruik van stukzeep of dikke vloeibare zeep op Memaĥek, aangezien het gebruik van een stuk zeep het oppervlak ervan glad maakt en dikke vloeibare zeep over de handen of het lichaam wordt uitgesmeerd. Ten tweede lijkt het er bij het gebruik van dit soort zeep op dat men iets nieuws voortbrengt, aangezien de zeep van vast in vloeibaar verandert. Hoewel dit gebruik volgens veel poskim technisch gezien niet verboden is — omdat degene die de zeep gebruikt niet de bedoeling heeft om die glad te maken, en omdat de kleine hoeveelheid zeep die wordt gebruikt in het water oplost, zodat het er niet uitziet alsof er iets nieuws wordt gecreëerd — is het, vanwege de zekere gelijkenis met Memare’aĥ en Molid, toch de gangbare gewoonte om streng te zijn en het gebruik van stukzeep of dikke vloeibare zeep te vermijden. Zij die soepel zijn, hebben een opinie waarop zij kunnen steunen.
Als een dikke vloeibare zeep uitvloeit wanneer die op een oppervlak wordt achtergelaten, wordt die als vloeistof beschouwd, en zijn allen het erover eens dat men die op Shabbat mag gebruiken. Als het onzeker is of een substantie als dik of als vloeibaar wordt beschouwd, mag men soepel zijn.[4]
Men mag vochtige doekjes gebruiken om een baby schoon te maken, om het lichaam in het algemeen schoon te maken, of om een tafel en dergelijke schoon te maken. Sommigen zijn streng omdat zij menen dat er een probleem van Seĥita is, aangezien men bij het gebruik van een doekje erop drukt en wat vocht eruit perst, wat zou helpen bij het schoonmaken. Niettemin is de soepele opinie de voornaamste, want het doel van een doekje is om het vocht aan het oppervlak van het doekje te gebruiken om effectiever schoon te maken. Het doel is niet om het vocht binnenin het doekje eruit te persen teneinde het vuile gebied nat te maken. Als dat iemands doel zou zijn, zou hij het gebied simpelweg met water wassen. Zolang het doekje vochtig blijft, heeft hij geen belang bij het vocht dat er niet uitgeperst en van het doekje afgescheiden is, en dus heeft er geen overtreding plaatsgevonden. Zelfs als er toevallig een paar druppels uitgeperst zouden worden, heeft hij niet overtreden, aangezien hij dit niet bedoeld heeft.[5]
Zoals we gezien hebben (hierboven 13:11), mag iemand die naar het toilet is gegaan en geen andere manier heeft om zich af te vegen dan door toiletpapier af te scheuren, dit doen met een shinui, zoals het papier met zijn ellebogen van de rol trekken. Dit is omdat de Wijzen het overtreden van een rabbijns verbod toestonden om grote schaamte te voorkomen. Men mag ook, wanneer nodig, toiletpapier nat maken zodat het effectiever schoonmaakt, zolang men niet de bedoeling heeft om water uit het toiletpapier te persen, maar alleen om gebruik te maken van het vocht.
[4]. MB 326:30 is streng, op grond van Tiferet Yisrael, en stelt dat men dit soort zeep niet zou moeten gebruiken vanwege Memare’aĥ. Dit is ook de opinie van Ma’aseh Ish, p. 109, en R. Shmuel Laniado, Shulĥan Ha-melekh. Ben Ish Ĥai Jaar 2, Yitro 15 is streng op grond van Molid. Verscheidene poskim zijn echter soepel, waaronder Paĥad Yitzĥak, Ginat Veradim en Pe’ulat Tzadik. Ketzot Ha-shulĥan is het hiermee eens (138, Badei Ha-shulĥan 31). Yabi’a Omer 4:27 werkt deze benadering uit en voegt eraan toe dat Rambam die in een responsum presenteert. R. Shlomo Zalman Auerbach, aangehaald in SSK hfdst. 14 n. 49, stelt dat men technisch gezien dit soort zeep mag gebruiken. Het is veeleer een voorbeeld van “dingen die toegestaan zijn maar die de gewoonte verbiedt”, en in zulke gevallen zou men de gewoonte moeten volgen. In de praktijk verbieden zowel SSK 14:18 als Or Le-Tziyon 2:35:5 het gebruik ervan. R. Ovadia Yosef schrijft in Halikhot Olam deel 4, p. 108, dat het juist is om streng te zijn, en dat dit de gewoonte is. Het lijkt er echter op dat men onder dringende omstandigheden mag steunen op hen die soepel zijn, en des te meer als men er onzeker over is of zijn zeep als dik of als vloeibaar wordt beschouwd. Als er scheuren in stukzeep zitten en men die glad wil strijken, is dit volgens alle opinies verboden.[5]. Tot hen die streng zijn behoren Orĥot Shabbat 13:46 en Ĥut Shani deel 2, p. 209. Minĥat Yitzĥak 10:25 en Shevet Ha-Levi 8:59 en 10:58 neigen ook in deze richting. Tegenover hen staan Har Tzvi 1:190 en Va-ya’an Yosef OĤ §163, die soepel oordelen. Vele anderen hebben dit ook toegestaan, waaronder Igrot Moshe OĤ 2:70; SSK 14:37 en n. 99 op grond van R. Shlomo Zalman Auerbach; Rivevot Ephraim 6:194:3; Menuĥat Ahava deel 2 hfdst. 12 n. 20; en Be-mar’eh Ha-bazak 3:48. Zie Harĥavot.