Shabbat · 10. Bishul (Koken)

01. Inleiding

Het kost veel moeite om voedsel te bereiden. Dieren eten hun voedsel rauw, in zijn natuurlijke staat, maar dit is onvoldoende voor de mens, wiens natuur veel verfijnder en complexer is. De mens moet zijn eigen voedsel voortbrengen. Eerst moet hij de grond bewerken. Hij moet de stenen verwijderen, en vervolgens ploegen, planten, wieden en snoeien. Maar zelfs nadat de tarwe is gerijpt, is deze nog niet geschikt om te worden gegeten. Om de eetbare korrels te verkrijgen, moet hij dorsen en wannen. Zelfs dan blijven de graankorrels oneetbaar totdat ze gekookt worden. Om brood te maken, moet hij nog verder gaan: hij moet de korrels malen, het kaf verwijderen, het meel zeven, het deeg kneden en het bakken.

Had Adam niet gezondigd, dan zou de voedselbereiding moeiteloos en eenvoudig zijn geweest. De mens zou het veld in zijn gegaan, heerlijke gebakken waren en rijke gerechten van de bomen hebben geplukt en ze hebben gegeten (zie Kiddushin 82a). Als hij er zin in had, kon hij wat in het veld werken en zijn voedsel naar smaak kruiden. De Wijzen leren ons dat we in de toekomst, nadat we de zonde van Adam hebben hersteld, naar deze staat zullen terugkeren (Shabbat 30b). Heerlijke gebakken waren en mooie kleding zullen aan de bomen groeien in Eretz Yisrael. Maar in de tussentijd moet de mens zwoegen en worstelen om zelfs maar één brood voort te brengen. Dit komt overeen met Gods uitspraak tot Adam na de zonde: "Het land is vervloekt om uwentwil. In smart zult gij ervan eten al de dagen van uw leven. Het zal voor u doornen en distels voortbrengen, en gij zult de planten van het veld eten. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten totdat gij tot de aarde wederkeert" (Bereishit 3:17-19).

De zonde heeft heel de natuur doen verworden, en wat uit de aarde groeit is vaak onvoldoende zuiver en ontwikkeld om in zijn natuurlijke staat te worden gegeten. De mens moet vele stappen verrichten om de opbrengst van de aarde in eetbaar voedsel te veranderen. Maar op Shabbat stijgen wij op naar een niveau dat de toekomende wereld benadert; wij verbinden ons met een niveau voorbij de zonde, voorbij de noodzaak om te werken teneinde de wereld te verbeteren. Dit stelt ons in staat de innerlijke betekenis van alle melachot te begrijpen. Met deze kennis kunnen wij de wereld verbeteren.

Er zijn elf melachot verbonden met het verbouwen van voedsel: zaaien (Zore'a), ploegen (Ĥoresh), oogsten (Kotzer), verzamelen (Me'amer), dorsen (Dash), wannen (Zoreh), scheiden (Borer), malen (Toĥen), zeven (Meraked), kneden (Lash) en koken/bakken (Bishul/Ofeh).

Drie aanvullende melachot zijn nodig om voedsel op dierlijke basis voort te brengen: vangen (Tzad), slachten (Shoĥet) en villen (Mafshit). We zullen beginnen met de melacha van Bishul, omdat deze voor ons vandaag de dag het meest relevant is.