Shabbat · 19. Agrarische Melachot (Ĥoresh, Zore'a, Kotzer en Me'amer)

04. Irrigatie

Men mag planten geen water geven, aangezien dit hen helpt groeien en dus Zore’a vormt. Men mag echter irrigatiebuizen openen of sproeiers aanzetten vóór Shabbat, zelfs als die tijdens Shabbat planten water zullen geven. Evenzo mag men vóór Shabbat een computer programmeren om sproeiers op Shabbat te activeren, aangezien er op Shabbat geen handeling door een Jood zal worden verricht. Wie vóór Shabbat irrigatiebuizen heeft geopend, mag die op Shabbat sluiten, aangezien hierbij geen melakha betrokken is (zie hierboven 2:9).

Wie in een tuin eet, moet erop letten zijn handen niet boven planten of hun wortels te wassen (SA 336:3). Als de planten klein zijn en hun wortels kort, geldt het verbod alleen in de directe omgeving van de planten, maar als de planten groot zijn, geldt het verbod voor de hele plantenbedding eromheen.

Men mag water op de grond gieten als er geen planten of wortels in de buurt zijn. Hoewel het mogelijk is dat het water uiteindelijk wortels bereikt of dat er vervolgens wilde bloemen zullen groeien, is dit niet verboden aangezien men dit niet beoogt (Kaf Ha-ĥayim 336:27).

Men mag geen water op zijn eigen grond gieten als die geschikt is om te planten. Aangezien dit de grond verzacht en deze voorbereidt op het planten, wordt het beschouwd als Ĥoresh (MB 336:26; SHT ad loc. 18).