Pesach · Hoofdstuk 6
02. Hoe het Gebruik van het Verkopen van Chametz zich Verspreidde
Ongeveer 400 jaar geleden begonnen veel Joden die in Europa woonden in hun levensonderhoud te voorzien door de productie en verkoop van whisky. Dit kwam doordat de baronnen, de landeigenaren, vaak Joden inhuurden om hun zaken te beheren, en het gebruikelijk was dat zij hun distilleerderijen en herbergen aan Joden verpachtten in ruil voor een vaste prijs en/of een percentage van de verkoop. Deze whisky, die gemaakt werd van gerst en tarwe, wordt beschouwd als Chametz Gamoer (volledige Chametz). Om het grote financiële verlies te voorkomen dat elk jaar gepaard zou gaan met het wegdoen ervan vóór Pesach, werd het noodzakelijk om het vóór Pesach aan een niet-Jood te verkopen en het onmiddellijk daarna weer terug te kopen, om de verkoop van de whisky zoals gewoonlijk voort te kunnen zetten.
In de loop van de tijd merkten rabbinale leiders op dat de verkoop soms onjuist werd uitgevoerd, wat tot ernstige problemen leidde. Als de verkoop onjuist is, blijft de Chametz in het bezit van de Jood, en met elk uur dat verstrijkt overtreedt hij Bal Jera'eh en Bal Jimatzei. Bovendien is het verboden om na Pesach voordeel te trekken uit dergelijke Chametz, en moet alles volledig worden vernietigd. Daarom begonnen rabbinale autoriteiten toezicht te houden op de verkoop van Chametz, om een correcte verkoop te waarborgen. Toen andere Joden zagen dat de verkoop op een ordelijke manier werd uitgevoerd, begonnen zij ook aan de transactie deel te nemen om hun eigen Chametz voor verlies te behoeden. Dit is hoe Mekhirat Chametz (de verkoop van Chametz) zich begon te verspreiden en steeds gebruikelijker werd.
Echter, een aantal vooraanstaande rabbijnen beweerde dat Mekhirat Chametz geen echte verkoop was, maar slechts een fictie. In de eerste plaats is het duidelijk dat de Chametz na Pesach weer bij de Jood zal terugkeren. Bovendien wordt er over deze verkoop geen omzetbelasting aan de overheid betaald. Ten derde betaalt de koper bij een normale verkoop voor alle Chametz en neemt hij deze fysiek in zijn bezit, maar hier betaalt de niet-Jood noch de volledige prijs, noch neemt hij de Chametz mee.
Niettemin is de mening van de overgrote meerderheid van de poskim dat op Mekhirat Chametz kan worden vertrouwd en dat deze even geldig is als elke andere verkoop. Volgens de wet kan de niet-Jood weigeren de Chametz na Pesach aan de Jood terug te verkopen. Het is een echte, bindende verkoop, geen fictie. Niettemin hebben de rabbijnen, om zelfs maar de schijn van een fictie te vermijden, er een gewoonte van gemaakt om zeer nauwgezet te zijn over alle details van de verkoop. Aangezien er verschillende halachische meningen zijn over de juiste wijze van aankoop wanneer een niet-Jood van een Jood koopt, zorgen de rabbijnen ervoor dat de verkoop wordt uitgevoerd met alle vormen van eigendomsoverdracht (kinjanim), zodat het duidelijk is dat de verkoop effectief is volgens alle meningen. Bovendien zorgen zij ervoor dat de verkoop ook volgens de staatswetten effectief is.
Wat de betaling betreft, wordt er een verkoopakte opgesteld voor de werkelijke waarde van de Chametz, en de niet-Jood betaalt een aanbetaling in contanten, zoals handelaren plegen te doen. Het restant van het bedrag wordt hem als schuld in rekening gebracht, maar dit belet de voltooiing van de aankoop niet. Na Pesach kan de niet-Jood beslissen: als hij de Chametz wil houden, moet hij de schuld betalen; als hij de Chametz aan de Jood wil terugverkopen, betaalt de Jood de aanbetaling terug en in ruil voor de Chametz scheldt hij de schuld van de niet-Jood van vóór Pesach kwijt. De reden dat er geen belasting wordt betaald over Mekhirat Chametz is dat de overheid begrijpt dat deze verkoop voor religieuze en niet voor commerciële doeleinden wordt uitgevoerd, en daarom de belasting kwijtscheldt.
Om de verkoop te versterken, zodat deze lijkt op elke andere verkoop waarbij de koper het gekochte item in zijn bezit neemt, hebben de rabbijnen ingesteld dat de Jood de grond waarop de Chametz rust aan de niet-Jood verkoopt of verhuurt, waardoor de Chametz in het bezit van de niet-Jood overgaat (MB 448:12). In Eretz Jisrael, waar het verboden is om land aan een niet-Jood te verkopen, wordt het gebied verhuurd.