Pesach · Hoofdstuk 6
01. Chametz Sparen van Vernietiging door het te Verkopen aan een niet-Jood
Tegen het middaguur van de 14e Nisan moet elke Jood de Chametz in zijn bezit hebben geëlimineerd. In het verleden planden Joden hun voedselaankopen en hun maaltijden zo dat zij tegen Pesach alle Chametz-voedingsmiddelen hadden geconsumeerd en dus geen grote hoeveelheden hoefden weg te doen. Ze lieten slechts een kleine hoeveelheid Chametz over om de mitswa van bi'oer Chametz op de best mogelijke manier te vervullen: door deze te verbranden.
Af en toe mislukte iemands planning echter en merkte hij dat hij een grote hoeveelheid Chametz bezat wanneer Pesach aanbrak. In zo'n geval kon hij, als hij het verlies van de Chametz niet erg vond, deze verbranden of als geschenk geven aan een fatsoenlijke en verdienstelijke niet-Jood. Als hij de waarde van zijn Chametz niet wilde verliezen, kon hij deze vóór Pesach aan een niet-Jood verkopen, aangezien het, zolang het verbod nog niet van kracht is geworden, is toegestaan om de Chametz te verkopen en de volledige waarde ervan te ontvangen. Het verbod op het verkrijgen van voordeel (hana'ah) uit Chametz gaat in op het zesde uur op de dag van de 14e Nisan, en tot die tijd is het toegestaan om de Chametz te verkopen.
Dit was vooral belangrijk voor voedselhandelaren die vóór Pesach met grote voorraden Chametz bleven zitten en geen andere keuze hadden dan aan een niet-Jood te verkopen om groot financieel verlies te voorkomen. Zelfs als er geen niet-Jood kon worden gevonden die oprecht geïnteresseerd was in het kopen van alle Chametz, leren de Wijzen dat het voor een Jood toegestaan is om tegen een niet-Jood te zeggen: "Hoewel je niet zoveel Chametz nodig hebt, koop al mijn Chametz voor de volledige prijs, en als je wilt, koop ik het na Pesach van je terug" (gebaseerd op t. Pesachiem 2:7).