Shavuot · Sjavoe’ot
15. De zes dagen na Sjavoe'ot
Toen de Tempel er nog stond, was er een mitswa om drie maal per jaar een bedevaart te maken, eenmaal op elk feest, en een ola en sjelamiem te offeren op de eerste dag van het feest. Deze offers werden aangeduid als olat reëja en sjalme chagiga. Iemand die ze op de eerste dag niet had geofferd, kon zijn verplichting daartoe vervullen tot het einde van het feest, dat wil zeggen de zevende dag van Pesach of tot Sjemini Atzeret (Chagiga 9a). Iemand die ze op Sjavoe'ot niet had geofferd, kon ze in de volgende zes dagen offeren. Net zoals men zeven dagen had om de ola en sjelamiem voor Pesach te brengen, had men een week om ze voor Sjavoe'ot te brengen (Chagiga 17a).
Omdat deze feestoffers gedurende de zes dagen na Sjavoe'ot kunnen worden gebracht, blijft er een element van feestvreugde voortduren. Daarom is het gebruik in die tijd geen Tachanoeen te zeggen (MA; MB 131:37).
Op de dag na Sjavoe'ot, bekend als Isroo Chag, zijn vasten en het houden van lijkredes verboden. Dit is omdat het "een dag van slachting" is, dat wil zeggen een dag waarop soms offers worden gebracht. Meer specifiek: wanneer Sjavoe'ot op Sjabbat viel, werden de olat reëja en sjalme chagiga uitgesteld tot zondag, dat dan Isroo Chag was. Bovendien waren er zelfs wanneer Sjavoe'ot niet op Sjabbat viel, altijd veel mensen die niet de kans kregen al hun offers op het feest te brengen. Wat zij op Sjavoe'ot niet hadden kunnen offeren, offerden zij de volgende dag. Een dag waarop offers worden gebracht wordt beschouwd als een dag van simcha. Daarom mag men er niet vasten (SA 494:3; Leveesj; MA aldaar 3; SAH aldaar 19; zie boven 2:13).